Leestekens maken een tekst beter leesbaar of geven aan hoe een woord moet worden uitgesproken. Gebruik van leestekens heet interpunctie.

Sommige leestekens worden in een woord gebruikt en andere in een zin. Er zijn heel veel verschillende leestekens. Voor sommige leestekens zijn de regels heel eenvoudig. Bij andere leestekens is wat extra uitleg op z’n plaats.

Welke leestekens zijn er?

Punt (.)

Dit is er zo een die weinig uitleg nodig heeft. We weten het allemaal, maar toch even de regels op een rijtje:

  • Een punt is een manier om een zin te eindigen. Er zijn nog 2 leestekens die aan het einde van een zin kunnen staan: het vraagteken en het uitroepteken. Een ‘gewone’ zin eindigt met een punt. Een zin kan niet eindigen zonder een leesteken.
  • Er komt geen spatie voor een punt, maar wel erna.
  • Een afkorting eindigt met een punt. Er zijn een paar uitzonderingen, bijvoorbeeld algemeen bekende afkortingen.
  • Als je een zin eindigt met een afkorting die al een punt heeft, komt er geen tweede punt. Voorbeeld:
    De uitslag wordt bekend gemaakt op 4 september a.s.

Vraagteken (?)

Een vraagteken is ook een bekend leesteken. In een tekst laat je ermee zien dat je de zin moet lezen met een vragende toon. Omdat het vraagteken achteraan de zin staat, zie je dat soms te laat. In het Spaans staat er daarom voor een zin altijd een omgekeerd vraagteken.

  • Een vraag eindig je met een vraagteken.
  • Er komt geen spatie voor het vraagteken, maar wel erna.

Uitroepteken (!)

  • Een waarschuwende zin of tekst eindigt (vaak) met een uitroepteken, bijvoorbeeld: Pas op, nat!
  • Als je in een verhaal wilt laten zien dat iets geroepen wordt, doe je dat ook met een uitroepteken: “Ik ben hier!”
  • Er komt geen spatie voor het uitroepteken, maar wel erna.

Komma (,)

De komma stamt al uit de tijd van de Grieken en is bedacht om lange zinnen makkelijker leesbaar te maken. We kennen ‘m allemaal, maar hoe gebruiken we ‘m ook alweer? Een komma staat (midden) in een zin en geeft meestal een korte rust aan. Hij wordt voornamelijk geplaatst

  • tussen gelijksoortige zinsdelen, in plaats van en of of :

Dax, Aya, Guus, Jesse, allemaal wegwezen nu!

  • om een tussenzin aan te geven:

Mevrouw Feliz, die vaak met haar collega ging roken, was nu al twee maanden gestopt.

  • voor en na een aanspreking:

Lieve schat, je bent geweldig.
Annemarie, hoe kon je dat nou doen?

  • voor een voegwoord:

Hij heeft een slag verloren, maar nog niet de oorlog.

  • om hoofd- en bijzinnen te scheiden:

De hele dag had hij hard gewerkt, zodat hij wel een verfrissing kon gebruiken.

De plaats van de komma kan een zin een heel andere betekenis geven:

De leerlingen, die geslaagd zijn voor het examen, mogen vijf dagen naar Londen.

betekent niet hetzelfde als

De leerlingen die geslaagd zijn voor het examen, mogen vijf dagen naar Londen.

In de eerste zin zijn alle leerlingen geslaagd en gaan ze allemaal naar Londen. In de tweede zin gaan alleen de leerlingen die geslaagd zijn naar Londen.

Dubbele punt (:)

Na een dubbele punt komt meestal een opsomming, een uitleg of een citaat.

Een woord of zin na een dubbele punt krijgt geen hoofdletter, behalve als het woord sowieso met een hoofdletter wordt geschreven, zoals een naam.
Begin je na de dubbele punt met een citaat, dan begin je wel met een hoofdletter:

  • De dag begint altijd met een heel ritueel: opstaan, douchen, aankleden, ontbijten en naar school.
  • Er zijn twee mogelijkheden: het gaat door of het gaat niet door.
  • De minister heeft gezegd: “Hier is geen geld meer voor.”

Puntkomma (;)

Een puntkomma (In Vlaanderen kommapunt) geeft een langere rust aan dan een komma. Meestal komt ‘ie in de plaats van een voegwoord (en, of, doch en maar), in zinnen die sterk met elkaar verbonden zijn; of in opsommingen die uit lange delen bestaan.

Hij heeft hard gewerkt; bovendien heeft hij het werk op tijd ingeleverd.

Het verschil tussen de puntkomma in een zin en in een opsomming

Puntkomma in een zin 
Een puntkomma staat (midden) in een zin. Er is een belangrijk verband tussen de delen vóór en na de puntkomma, ook al zijn het vaak twee volwaardige zinnen en zou een punt ook gekund hebben. Een voorbeeld:

  • We stonden vroeg op; we hadden een lange reis voor de boeg.
  • Ik heb een hekel aan zwemmen; toch neem ik een zwembroek mee.

Het eerste woord na de puntkomma krijgt geen hoofdletter (tenzij het een hoofdletterwoord is, zoals een naam).

Puntkomma in een opsomming
In een opsomming kun je achter elk onderdeel een puntkomma zetten. Achter het laatste onderdeel zet je dan een punt. Bijvoorbeeld:

  • Denk aan de volgende spullen:
    – toiletspullen;
    – een handdoek;
    – een warme trui, want het kan koud zijn;
    – iets lekkers voor bij de koffie.

In opsommingen mag je trouwens ook komma’s gebruiken. Maar als sommige delen van de opsomming zelf al een komma hebben, is een puntkomma duidelijker.

Beletselteken (…)

De puntjes die vaak gebruikt worden om aan te geven dat daar iets is weggelaten, hebben een naam: het beletselteken. Soms worden ze ook wel gedachtepuntjes genoemd.

Je kunt het beletselteken gebruiken voor:

  • een pauze: Ik ruik … uiensoep!
  • een onvoltooide zin of opsomming: Denk aan je toiletspullen, zoals tandenborstel, deodorant, zeep …
  • een onvoltooid woord: Wacht even, voordat je spr…
  • weggelaten delen uit een citaat, vaak tussen haakjes: De directie is van mening dat (…) dit niet nog eens mag gebeuren.

En je gebruikt ze zo:

  • Het zijn altijd drie puntjes.
  • Als er een volledig woord aan voorafgaat, komt er een spatie tussen het woord en de puntjes, ook als je ze aan het einde van een zin plaatst!
  • Aan het eind van de zin komt er geen vierde punt achter.
  • Als een uitroepteken of vraagteken achter de puntjes komt, zit daar geen spatie tussen: Wel heb je ooit …!

Het zijn niet dezelfde puntjes als bijvoorbeeld op een invulformulier. Dan is het aantal puntjes vaak veel groter, om ruimte te geven voor de in te vullen tekst.

Aanhalingstekens

Een aanhalingsteken wordt gebruikt als iemand iets zegt. Wat iemand letterlijk zegt, wordt tussen aanhalingstekens gezet. De aanhalingstekens zitten altijd aan het woord vast waar ze voor of achter staan. Daarmee voorkom je dat de aanhalingstekens eventueel op een volgende regel komen te staan als de zin wordt afgebroken.

Dubbele of enkele aanhalingstekens?

Er zijn verschillende adviezen hoe je met dubbele en enkele aanhalingstekens moet omgaan. Niet elk advies is hetzelfde.

Vaak worden enkele aanhalingstekens gebruikt voor losse woorden, die om een bepaalde reden extra nadruk nodig hebben, bijvoorbeeld omdat het een zelfbedacht woord is. Bijvoorbeeld:

  • Wij maken onderscheid tussen ‘luisterwoorden’ en ‘weetwoorden’.

Vaak worden dubbele aanhalingstekens gebruikt voor letterlijke citaten, maar je mag daar ook enkele aanhalingstekens gebruiken:

  • Er staat duidelijk wat de bedoeling is: “Hier wachten”.
  • De dirigent knikte en zei: “Dat hebben jullie mooi gespeeld.”

Je mag enigszins zelf beslissen wat je doet, als je je maar aan de volgende richtlijnen houdt:

  • Zorg dat de beginaanhalingstekens en de eindaanhalingstekens van hetzelfde type zijn.
  • Zet geen spatie na aanhalingstekens openen, zet geen spatie voor aanhalingstekens sluiten. Met andere woorden: plak de aanhalingstekens vast aan hetgeen waar ze omheen staan. 
     
    Niet: er staat” verboden toegang “op het hek.
    Maar: er staat “verboden toegang” op het hek.
     
  • Als je citaten binnen citaten hebt, wissel dan de aanhalingstekens logisch af. Bijvoorbeeld:
     
    De directeur vroeg: “Wie heeft er ‘protest’ op de voordeur gekalkt?”

Zogenaamd

Soms gebruik je aanhalingstekens om aan te geven dat je iets juist niet bedoelt. Bijvoorbeeld:

  • De inbreker werd ‘liefdevol’ in de kraag gevat.
    Reken maar dat dit juist niet liefdevol is gebeurd.

Pas op met het plaatsen van aanhalingstekens, want mensen kunnen de tekst verkeerd opvatten. Je kunt door de aanhalingstekens denken: ja, ja, dat zal wel.

  • “Fijne verjaardag” Johnny
  • “Beveiliger”
  • “Alcoholvrije” punch

Accenten (é of è)

Het zijn eigenlijk geen leestekens, maar in sommige gevallen passen ze er wel bij. Er zijn woorden waarbij het accent bij de spelling hoort, maar soms plaats je een accent op een woord, omdat je ergens de nadruk of klemtoon op wilt leggen. Dan zijn het eigenlijk net leestekens:

  • Lees nú hoe het werkt.
  • We hebben daar zó lang staan wachten.
  • Niet treuzelen, áánkleden!
  • Je aanmelding moet vóór 10 mei bij ons binnen zijn.
  • Schrééuw niet zo!

In deze gevallen schrijf je het accent altijd dezelfde kant op: naar rechts. Dit accent heet het accent aigu.

Het andere accent, het accent grave (`), dat naar links wijst wordt alleen gebruikt:

  • bij woorden uit het Frans waar dit accent ook staat: à la crème
  • om aan te geven dat een letter als korte e moet worden uitgesproken: hè, blèren

Trema (ë)

Eigenlijk is dit ook een soort accent. Een trema staat boven de letter waar een nieuwe klank begint als twee klinkers met elkaar botsen; een klinkerbotsing.

Neem het woord reünie. Een e en een u kun je samen lezen als eu, zoals in neus. Maar in het geval van reünie ontstaat er een klinkerbotsing. Die los je dus op met een trema.

Klinkerbotsing in een samenstelling

Soms ontstaat er een klinkerbotsing als je een samenstelling maakt, zoals bij thema-avond (thema en avond). In deze gevallen gebruik je geen trema, maar een koppelteken (-).

Lttrs. en interpunctie

Lttrs. redigeert en corrigeert aan de hand van het RED-model. Het RED-model kent 23 checkpunten; interpunctie komt terug in punten RED 2 en RED 4

Oefenen met taal en spelling kan op beterspellen.nl. Daar kun je je aanmelden voor een dagelijks minitestje per e-mail.

Wat is Lttrs?

Lttrs. is onderdeel van tekstbureau Letters van Lieke en richt zich volledig op het redigeren en vertalen van teksten. Heb je vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

Contact opnemen