Lttrs. werkt bij het nakijken en redigeren met het RED-model van Wim Daniëls, zoals is beschreven in zijn boek Teksten redigeren.

Het RED-model is een model waarin alle punten waar een (eind)redacteur op moet letten, verwerkt zijn. Wim Daniëls heeft het model in 2011 gemaakt als variant op het CCC-model uit 1994 van Jan Renkema, een andere taalkundige. Het biedt een goede manier om systematisch alle punten langs te gaan waar op gelet moet worden.

RED staat voor redactie, maar vooral voor Regels, Eenheid en Doelgroep. Dat zijn de drie pijlers waarop dit model is gebouwd. De drie pijlers worden op 5 niveaus beoordeeld.

Er zijn dus 23 checkpunten waar bij het redigeren op wordt gelet, RED 1 t/m RED 23. Deze zijn in te delen op de 5 niveaus en vervolgens op de drie pijlers. Het model ziet er dan als volgt uit:

Tekst nakijken en redigeren volgens het RED-model
RED1 t/m RED 23 in het RED-model

Lttrs. volgt het model systematisch, zodat geen punt wordt overgeslagen. Maar wat houden die punten nu precies in waar kijkt Lttrs. dan naar?

Regels

Er gelden verschillende regels voor het schrijven van een tekst. Er zijn natuurlijk de taal- en spellingregels, maar ook voor de inhoud en vorm zijn regels. Denk aan de verschillen tussen een advertentie en een brief. Lttrs. kijkt bij het redigeren naar de volgende regels:

  • Juiste spelling (RED 1)
  • Juiste interpunctie (RED 2)
  • Juiste woordkeuze (RED 5)
  • Juiste zinsbouw (RED 6)
  • Juiste tekstverbanden (RED 13)
  • Juiste informatie en argumentatie (RED 18)
  • Juiste toepassing van tekstsoortregels (RED 21)

Eenheid

Een tekst moet één geheel zijn, anders verliest hij aan kracht. Er moet een logische indeling en opbouw zijn en de inhoud moet zichzelf niet tegenspreken. Ook is het belangrijk dat aan de gekozen schrijfstijl wordt vastgehouden. Lttrs. checkt de eenheid op de volgende punten:

  • Consequente notatie (RED 3)
  • Consequent perspectief (RED 7)
  • Eenheid in stijl (RED 8)
  • Consequente indeling (RED 14)
  • Overeenstemming tussen inhoud en vorm (RED 15)
  • Geen inhoudelijke tegenspraken (RED 19)
  • Geen tekstsoortwisselingen (RED 22)

Doelgroep

Bij tekstschrijven is het belangrijk dat degenen voor wie je schrijft het ook willen en kunnen lezen. Dat klinkt logisch, maar in de praktijk gaat het nog wel eens mis. Als de tekst niet aansluit bij de doelgroep, bestaat er een grote kans dat de lezer al snel afhaakt , omdat hij zich niet aangesproken voelt. Alsof de tekst niet voor haar/hem bedoeld is. Om te bepalen of de tekst aansluit bij de doelgroep, kijkt Lttrs. naar de volgende checkpunten:

  • doelmatige interpunctie (RED 4)
  • begrijpelijkheid (RED 9)
  • beknoptheid (RED 10)
  • gepastheid (RED 11
  • aantrekkelijkheid (RED 12)
  • voldoende structuuraanduiding (RED 16)
  • logische en psychologische volgorde (RED 17)
  • voldoende informatie en argumentatie (RED 20)
  • gepaste tekstsoortkeuze (RED 23)

Niveau 1: PRESENTATIE

Met de presentatie van de tekst worden in dit geval de spelling en interpunctie (komma’s, punten en andere leestekens) bedoeld. Pas je de regels goed toe, ben je consequent in hoe je dingen noteert en gebruik je de leestekens zodanig dat ze de lezer ook echt helpen? Lttrs. checkt het voor je.

RED 1: Juiste spelling

Uiteraard kijkt Lttrs. naar de juiste spelling van woorden en werkwoorden. Spelling is en blijft lastig. De spellingcontrole van je tekstverwerker helpt je een heel eind op weg, maar is niet altijd waterdicht. Samenstellingen die niet aan elkaar geschreven zijn (maar wel aan elkaar horen), worden bijvoorbeeld niet opgemerkt door de spellingcontrole. En een werkwoord kan goed gespeld zijn, maar niet goed vervoegd: ‘hij word’ rekent de spellingcontrole niet fout, want beide woorden zijn goed gespeld, maar het is toch echt ‘hij wordt’. Lttrs. kent de spellingregels en haalt ze er zo voor je uit.

RED 2: Juiste interpunctie

Interpunctie is het gebruik van leestekens. Er zijn tien leestekens: punt, komma, puntkomma, dubbele punt, uitroepteken, vraagteken, gedachtestreep, haakjes, gedachtepuntjes en aanhalingstekens. Het gaat hier dus niet om accenten op letters, zoals é en è. Voor juiste interpunctie zijn geen officiële regels vastgelegd. Maar dat betekent niet dat er helemaal geen regels voor zijn, er zijn goede richtlijnen voor opgesteld. Een vraag eindigt altijd met een vraagteken, bijvoorbeeld. En bij een opsomming gebruik je komma’s.

Dit zijn de ‘makkelijke’ kwesties, maar soms ligt het allemaal wat lastiger en bieden de richtlijnen uitkomst. Bij citaten komt het bijvoorbeeld nog wel eens voor dat er meerdere leestekens na elkaar komen, bijvoorbeeld: “Dat is niet waar.” Omdat er al een punt achter ‘waar’ staat, hoeft er niet ook nog een punt achter de aanhalingstekens.

Wat nou de juiste schrijfwijze is? Lttrs. weet het en lost deze kwesties voor je op.

RED 3: Consequente notatie

Schrijf je getallen voluit of als cijfers? Gebruik je het €-teken of de afkorting EUR? Belangrijk is dat je in je hele tekst voor dezelfde schrijfwijze kiest. Dat voorkomt verwarring en staat verzorgder. Er zijn ook beroepen of functies waar verschillende benamingen voor zijn. Denk aan ‘manager’ en ‘chef’ of ‘receptionist’ en ‘front office medewerker’. Als je de verschillende termen door elkaar gaat gebruiken bestaat de kans dat de lezer denkt dat het over verschillende personen gaat.

Een tekst wordt in principe aantrekkelijker als niet steeds hetzelfde woord terugkomt. Dat is vaak een reden waarom verschillende benamingen wél in één tekst worden afgewisseld. Maar hoe vaker er afgewisseld wordt, hoe groter de verwarring! Probeer daarom niet alleen 1-op-1 het woord te vervangen, maar varieer ook in zinsbouw. Bedenk bijvoorbeeld een formulering waarbij het woord (of 1 van de varianten) helemaal niet genoemd hoeft te worden.

RED 4: Doelmatige interpunctie

Is het echt nodig om drie uitroeptekens in je tekst te plaatsen? Met doelmatige interpunctie wordt bedoeld dat de leestekens die je hebt gebruikt, ook beter zijn voor de tekst en handig voor de lezer. Er zijn leestekens die het ene zinsdeel aan het andere koppelen, zodat een lezer soepel door de tekst leest. Andere leestekens voorkomen dat de tekst te droog en te saai wordt.

Als je spreekt maak je je verhaal levendiger met behulp van intonatie, bij schrijven doe je dat met leestekens als een uitroepteken of vraagteken. Daarnaast gebruik je de punt en de komma om informatie te ordenen en het ritme aan te geven. Maar een teveel aan leestekens kan de tekst ook weer onleesbaar maken.

Lttrs. zorgt dat de leestekens in jouw tekst voor een goede balans zorgen.

Niveau 2: FORMULERING

Formulering is ook wel ‘stijl’ te noemen. Het gaat namelijk over je woordkeuze en zinsbouw. Kies de juiste woorden en maak mooie zinnen, is het advies. Dat klinkt logisch, maar wanneer weet je dat je het goed doet?

Allereerst kies je de juiste woorden bij de situatie, waarbij je goed let op je leerspubliek, maar ook op de sfeer in een tekst. In een zakelijke tekst gebruik je bij voorkeur geen straattaal. Bovendien moet het woord ook gewoon kloppen.

Je let ook op de zinsbouw. Vermijd lange zinnen met veel bijzinnen. Verspreid de hoeveelheid informatie liefst over meerdere zinnen.

Zorg ervoor dat als je je lezer direct wilt aanspreken, je ook steeds ‘je’ of ‘u’ gebruikt en overstapt op ‘men’. Dat heet perspectiefvastheid of consequent perspectief. Zorg er ook voor dat je je houdt aan de stijl die je gekozen hebt. Het schept bijvoorbeeld verwarring als je in een zakelijke tekst ineens heel joviaal gaat doen.

RED 5: Juiste woordkeuze

Stel je voor, je sluit je tekst af met ‘In één woord: een gruwelijk mooi ontwerp!’ Dat klopt natuurlijk niet. Of je schrijft in je boek ‘Liz dook onder de tafel en ging languit liggen.’ Iemand die onder de tafel duikt, doet dat om niet gezien te worden; languit gaan liggen is dan niet slim. Dit zijn dus onlogische woordkeuzes.

Maar ook pleonasmes en tautologieën, de zogenaamde dubbelopjes, vallen onder onjuiste woordkeuze. Denk aan formuleringen als ‘nieuwe aanwinst’ (een aanwinst is altijd nieuw) en ‘ik ben gedwongen dit te moeten melden’ (‘gedwongen zijn’ is hetzelfde als ‘moeten’).

Dan heb je ook nog het gebruik van het verkeerde lidwoord (‘de’ of ‘het’), verkeerde verbuiging van een bijvoeglijk naamwoord en verkeerd gebruik van ‘zijn’ en ‘haar’.

En tot slot de klassieke, veelgemaakte woordkeuzefouten:

  • als/dan
  • hun/hen/ze
  • dat/wat
  • omdat/doordat
  • te dank aan/te wijten aan, et cetera

Lttrs. haalt ook deze kwesties uit je tekst en geeft alternatieven.

RED 6: Juiste zinsbouw

Fouten in zinsbouw zorgen ervoor dat de lezer blijft steken, de zin opnieuw moet lezen en dan vaak nog niet weet wat er staat. Zinsbouwfouten maken vaak duidelijk waarom zinsontleding op de middelbare school zo ontzettend nuttig is (Jammer, want het is ook het saaist).

Bekende zinsbouwfouten zijn:

  • Congruentiefouten – fouten in enkelvoud en meervoud, bijvoorbeeld: Hij is een van de jongens die bij het ongeluk was. ‘Die’ gaat over ‘de jongens’ en niet over ‘hij’. Daarom moet het ‘waren’ zijn en niet ‘was’.
  • Foutieve samentrekkingen – woorden weglaten om herhaling te voorkomen, maar waardoor de zin niet meer klopt: Ik heb een nieuwe pen en boek gekocht. Het is ‘nieuwe pen’ en ‘nieuw boek’, je kunt deze woorden dus niet samentrekken. Of: Hij maakte een rare beweging en vervolgens dat hij wegkwam. ‘Maakte’ heeft hier twee verschillende betekenissen die je allebei moet noemen.
  • Anakoloet – twee zinsdelen die niet op elkaar aansluiten: Mijn huiswerk heb ik al gemaakt en ga ik nu voetballen.
  • Foutieve beknopte bijzin – onderwerp en persoonsvorm weglaten, waardoor de zin niet meer klopt: Al liedjes zingend werden de aardappels geschild. De schiller zingt de liedjes, niet de aardappels. Je moet de schiller(s) dus ook benoemen.
RED 7: Consequent perspectief

Je schrijft je tekst altijd vanuit een bepaald perspectief of duidelijker: vanuit een bepaalde persoon. Je schrijft bijvoorbeeld vanuit jezelf of je bedrijf met Ik wil u zeggen dat… of Wij laten u graag weten dat…, uit naam van iemand anders: Mevrouw Benali vindt het belangrijk dat… of vanuit een neutraal perspectief: Het is niet verstandig om…

Zorg ervoor dat je dat perspectief niet ineens verandert. Bijvoorbeeld door te beginnen met ‘ik’ en in een volgende zin verder te gaan met ‘wij’. Dat is verwarrend en leest niet prettig.

RED 8: Eenheid in stijl

Als je voor een bepaalde schrijfstijl hebt gekozen, bijvoorbeeld formeel en zakelijk, is het gek om tussendoor andere stijlen te gebruiken. Probeer altijd de gekozen stijl aan te houden.

Voorbeelden van stijlbreuk:

  • Van verleden tijd overstappen naar tegenwoordige tijd (of andersom): ‘Ze gaan er alles aan doen om ons te helpen. We hadden namelijk al genoeg geleden.’
  • Wisselingen in je kunt/je kan. Als je in de ene zin ‘je kunt’ schrijft, moet je dat in een volgende zin ook doen. Hetzelfde geldt voor zult/zal.
  • Je mening geven in een objectief stuk. Een verslag van een bijeenkomst of sportwedstrijd hoort onpartijdig te zijn, een mening is daar niet op z’n plek.
  • Straattaal of joviale uitingen in een formele tekst: ‘U kunt op het internet veel informatie vinden over dit onderwerp. Let u wel op dat er ook veel bulshit tussen zit.’
  • Wisselen tussen ‘jij’ en ‘u’. Dit zie je vaak in offertes. Na een informeel en bijna vriendschappelijk gesprek, is het gek om een offerte te sturen die begint met ‘Geachte heer Markouch, bijgaand treft u ons aanbod aangaande uw vraag naar ons product.’
RED 9: Begrijpelijkheid

Je wil natuurlijk dat je lezer je boodschap begrijpt en niet met vragen komt te zitten. Het is daarom belangrijk een goed beeld te hebben van je doelgroep; je lezer. Is hij bekend met eventuele vaktaal of moeilijke woorden?

Veel schrijvers kiezen vaak moeilijke woorden voor hun tekst. Soms omdat ze voor hen heel normaal zijn, soms omdat ze denken dat het hoort of professioneel overkomt. Maar als je lezer vervolgens niet begrijpt waar het over gaat, heb je alles eigenlijk voor niks geschreven. Schrijf daarom in de taal van je lezer.

Let ook op in verhalen, dat je mensen woorden laat zeggen die bij ze passen. Een kind van 8 jaar zal bijvoorbeeld niet snel het volgende zeggen: “Hè bah, wat een nare ervaring was dat!” Deze taal best dan weer wel goed bij een oudere heer of dame.

Lttrs. kijkt bij het redigeren of de tekst aansluit bij de doelgroep, maar is terughoudend met wijzigingen of suggesties. Als een tekst namelijk te veel afwijkt van het taalgebruik van de lezer, kan deze beter herschreven worden en dat is niet de taak van een redacteur.

RED 10: Beknoptheid

Ook in teksten geldt vaak ‘less is more’. Zeker bij zakelijke teksten waar het echt om de boodschap gaat. Mooie woordconstructies en metaforen leiden de lezer af van de kern en maken de tekst onnodig lang. Zelfs zinnen kunnen vaak korter. Soms is het nodig wat extra uitleg te geven, maar ook dat kan kort. Bedenk goed wat voor je lezer echt nuttig is om te weten en wat bijzaak is.

Kenmerken die een tekst (of zin) onnodig lang maken:

  • Vaste (soms inhoudsloze) woordconstructies – Vaste uitdrukkingen die eigenlijk niets toevoegen, maar wel een tekst omslachtig maken:
    1. Het feit dat – 9 van de 10 keer kan dit helemaal weggelaten worden en is het alleen maar opvulling, terwijl het niks betekent.
    2. Met betrekking tot – alternatief: over
    3. Ten aanzien van
    4. In geval van – alternatief: als
    5. Door middel van – alternatief: met

Het zijn geen foute of onjuiste formuleringen, maar ze voegen niet veel toe. Wees in ieder geval zuinig met het gebruik ervan; als ze te vaak voorkomen in een tekst wordt het vervelend. Voorbeeld 1 kan vaak gewoon weggelaten worden. De andere voorbeelden kunnen vervangen worden door de alternatieven.

  • Loze woorden – er zijn woorden die in sommige gevallen geen toegevoegde waarde geven, omdat hun betekenis al uit de rest van de tekst blijkt:
    • huidige: De huidige stand van zaken is… De stand van zaken is…
    • zullen: De vergadering zal volgende week plaatsvinden. De vergadering vindt volgende week plaats.
    • enkele: Enkele manieren om dit te realiseren zijn… Manieren om dit te realiseren zijn…
    • momenteel: Momenteel is ze niet aanwezig. Ze is niet aanwezig.

Ook deze woorden zien niet fout en hoeven ook niet altijd geschrapt te worden, maar als er te veel van deze formuleringen in de tekst staan, verliest die zijn waarde.

  • Vage woorden – woorden of formuleringen die niet duidelijk zijn, zoals:
    • best wel
    • in principe
    • meestal
    • eigenlijk
    • eventueel

Zeker in zakelijke brieven of belangrijke informatie is het goed om zo concreet mogelijk te zijn, zodat de lezer weet wat er bedoeld wordt en wat er van hem/haar verwacht wordt.

  • Te voorzichtig zijn – Eventueel zou het kunnen dat er wellicht onduidelijkheid ontstaat. Misschien ontstaat er onduidelijkheid.
  • Lijdende vorm – wordt ook wel de passieve vorm genoemd, omdat het onderwerp in de zin naar de achtergrond wordt geduwd. Zinnen in de lijdende vorm, zijn over het algemeen zinnen met worden of zijn:
    • Volgende week wordt besloten over… Volgende week nemen we een besluit over…
    • Vorige week is besloten dat… Vorige week besloten we dat…
RED 11: Gepastheid

Het gaat hier om de gepastheid van de gekozen toon of tone of voice. Wees als gemeente niet te amicaal en zorg als journalist voor een neutrale toon. Daarnaast is het belangrijk om voorzichtig om te gaan met maatschappelijk kwesties.

Probeer bijvoorbeeld genderneutraal te schrijven.
Het woord tekst is mannelijk waardoor het kan worden vervangen door hij, maar dit hele issue kan vermeden worden door in meervoud te schrijven:

Als een tekst te lang is, moet hij ingekort worden.
of
Als teksten te lang zijn, moeten ze ingekort worden.

Zeker als het niet om dingen, maar om personen gaat en je zowel over de vrouwelijke als mannelijke varianten schrijft:

De klant is koning, hij mag alles vragen wat hij wil.
of
Klanten zijn koning, ze mogen als vragen wat ze willen.

Maatschappelijke kwesties zijn vaak beladen kwesties met uiteenlopende meningen. Denk aan het klimaat of de zwartepietendiscussie. Ga zorgvuldig om met de verschillende gevoelens die in de maatschappij leven. In een column of cabaretvoorstelling is veel ruimte voor je eigen opvatting, in een informatiebrief of essay niet.

Denk bij gepastheid ook aan bijvoeglijke naamwoorden, zoals saaie, onaardige, lieve en mooie én aan superlatieven, zoals geweldige, beste, slechtste, lelijkste en allergrootste. Deze woorden geven een tekst een waardeoordeel en sfeer mee. Bedenk goed of dat gepast is.

RED 12: Aantrekkelijkheid

Ook droge en taaie stof kan aantrekkelijk geschreven zijn. Zakelijk aantrekkelijk schrijven is niet hetzelfde als literatuur schrijven, dat zou raar zijn, maar soepel door een tekst kunnen gaan maakt het lezen een stuk prettiger.

Voorbeelden om een tekst aantrekkelijk(er) te maken:

  • Wissel korte en lange zinnen af.
  • Spreek je lezer direct aan
  • Begin niet alle zinnen op dezelfde manier of met hetzelfde woord
  • Maak gebruik van alinea’s, zodat het niet overkomt als een enorme lap tekst die doorgeworsteld moet worden.
  • Vermijd ouderwetse woorden:
    • welke – Schrijf je in voor mijn training, welke start op…
    • derhalve – Het is mooi weer. Een korte broek is derhalve een goede keuze.
    • wiens – De staatssecretaris, wiens werk niet gewaardeerd wordt…
    • zulks –
    • ergo –
  • Gebruik beeldende taal (maar niet te veel!) – Tandartsen die veel ellende voor de kiezen hebben gehad, is grappig, maar niet drie keer in dezelfde tekst.
  • Gebruik niet te veel clichés. Sommige zegswijzen of uitdrukkingen worden te vaak gebruikt, zeker op kantoren en vacatures. Denk bijvoorbeeld aan stip op de horizon, spin in het web, draagvlak creëren, het weekend staat voor de deur, enzovoorts

Niveau 3: OPBOUW

Een goede tekstopbouw draagt bij aan de leesbaarheid. Zonder duidelijke inleiding, kernboodschap en tekstvolgorde is een tekst onduidelijk en moeilijk te lezen.

De verschillende onderdelen van een tekst kunnen het best verdeeld worden in alinea’s die logisch op elkaar volgen. Zo geef je je tekst structuur en voeg je steeds een extra element toe dat de kracht van de tekst versterkt. Ook binnen alinea’s zijn er manieren om te zorgen voor een goede samenhang in de tekst.

Lttrs. kijkt op dit niveau naar de RED-punten juiste tekstverbanden, consequente indeling, overeenstemming tussen inhoud en vorm, voldoende structuuraanduiding en logische en psychologische volgorde.

RED 13: Juiste tekstverbanden

Zinnen of tekstonderdelen moeten op een logische manier op elkaar volgen. De volgende twee zinnen geven goed aan wat daarmee bedoeld wordt:

Kijk eens naar mijn nieuwe jas. Ik ben in Frankrijk geweest.

Kijk eens naar mijn nieuwe jas. Ik heb hem in Frankrijk gekocht.

In het eerste voorbeeld heeft het feit dat je in Frankrijk bent geweest geen duidelijk verband met je nieuwe jas. De zinnen hebben niks met elkaar te maken. In het tweede voorbeeld wel. Het verband tussen de twee zinnen is logisch.

Het aanbrengen van juiste tekstverbanden geeft de tekst een goede en duidelijke structuur.

RED 14: Consequente indeling

Een tekst is idealiter opgedeeld in alinea’s. En die is weer opgedeeld in meerdere zinnen die in een bepaalde volgorde staan. Als je tekst meerdere alinea’s heeft met dezelfde vorm of hetzelfde doel, is het voor de lezer prettig als die ook steeds op dezelfde manier worden opgebouwd.

Heb je meerdere standpunten die je steeds met argumenten toelicht, gebruik dan ook steeds hetzelfde ‘ritme’: Eerst argument, vervolgens de toelichting. Wissel niet af door in een volgende alinea met de toelichting te beginnen en het argument als conclusie te noemen.

En denk ook aan opsommingen. Als je in meerdere alinea’s met een opsomming werkt, doe dat dan ook op dezelfde manier. In de ene alinea werken met komma’s tussen de opsommingen en in een andere alinea met een puntsgewijze opsomming, is stilistisch niet aantrekkelijk.

RED 15: Overeenstemming tussen inhoud en vorm

Natuurlijk komt het voor dat niet alle delen van een tekst iets met elkaar te maken hebben. Zorg er dan met een tussenkopje of een kadertekst voor dat het onderscheid duidelijk is. In een boek start je bijvoorbeeld een nieuw hoofdstuk. Bouw de tekst zo op dat duidelijk is wat bij elkaar hoort en wat niet. Hóe je dat doet is afhankelijk van de tekstsoort.

Voorkom tegelijkertijd dat je delen van elkaar scheidt terwijl ze bij elkaar horen, zoals in deze tekst over de bokkenrijders:

De processen tegen de bokkenrijders onderscheidden zich van ‘gewone’ criminele procedures, doordat er in veel gevallen een zogenaamde ‘goddeloze eed’ in voorkwam (“Ik zweer god af en de duivel aan”).

Typerend voor de bokkenrijders
Deze goddeloze eed, in de overlevering typerend voor bokkenrijders, zou ontstaan zijn in de Landen van Overmaas (volgens het proces tegen Hendrik Becx in Nieuwstadt in 1743) en waaide daarna over naar Loon.

Het woord Deze verwijst naar de zin ervoor, maar die staat in een andere alinea.

Als je je tekst door Lttrs. laat redigeren, wordt ook naar de structuur gekeken. Daarnaast krijg je suggesties voor aanpassingen.

RED 16: Voldoende structuuraanduiding

Dit punt hangt sterk samen met RED 13 – juiste tekstverbanden.

Tekstverbanden kunnen impliciet en expliciet gelegd worden. Het is impliciet, of indirect, als een tekstverband voor zich spreekt:

Ik heb dorst. Ik neem wat te drinken.
Twee losse zinnen die duidelijk een verband met elkaar hebben.

Je maakt het tekstverband expliciet, of direct, door de zinnen met een woord aan elkaar te verbinden:

Ik heb dorst, dus ik neem wat te drinken.

Er zijn drie soorten woorden om tekstverbanden te expliciteren:

  • Verwijswoorden; als je wil verwijzen naar een woord dat al eerder is genoemd:
    • persoonlijke voornaamwoorden, zoals hij, zij/ze, het: Dayenne wil een nieuwe jas. Ze vraagt er elke dag om.
    • aanwijzende voornaamwoorden, zoals die, deze, dit, dat.
    • bijwoorden, zoals daar en hier.
    • voornaamwoordelijke bijwoorden, zoals waarin, waarmee en waarvan.
  • Signaalwoorden
    • Tegenstellende signaalwoorden, zoals maar, echter, aan de andere kant, in tegenstelling tot, desondanks.
    • Samenvattende/concluderende signaalwoorden, zoals kortom, dus.
    • Redengevende signaalwoorden, zoals aangezien, omdat, want, namelijk.
    • Aaneenschakelende signaalwoorden, zoals ook, en, bovendien, daarnaast. Hierbij horen ook de woorden voor een opsomming.
    • Oorzaak/gevolg-signaalwoorden, zoals waardoor, zodat, als gevolg hiervan, daardoor.
    • Doel/middel-signaalwoorden, zoals om, waarmee, via, met de bedoeling om.
  • Inhoudswoorden
    • In principe kan alles een inhoudswoord zijn. Een woord wordt een inhoudswoord als het een herhaling is van het woord waarnaar het verwijst: Puzzelen, breien en knutselen zijn hobby’s. Hobby’s waarvoor je je huis niet uit hoeft.

Expliciete tekstverbanden dragen bij aan de structuur van je tekst. Maar ook hier gaat het om balans. Lttrs. checkt deze balans.

RED 17: Logische en psychologische volgorde

Je verhaal of de informatie die je geeft moet in een logische volgorde staan. Of de volgorde logisch is hangt voor een deel af van je doelgroep; het moet namelijk een volgorde zijn die voor je lezer logisch is.

Je maakt een logische volgorde als:

  • hoofd- en bijzaken op elkaar aansluiten
  • het verhaal chronologisch verteld wordt
  • oorzaken en gevolgen goed geordend zijn
  • standpunten met hun hoofd- en subargumenten goed gerangschikt zijn.

Een psychologische volgorde betekent dat je met de gekozen volgorde een bepaald psychologisch effect creëert.

Stel je voor dat je een brief van de gemeente krijgt over de vergunning die je hebt aangevraagd. Onderzoek wijst uit dat jij een dergelijke brief meer waardeert als eerst het besluit genoemd wordt en pas daarna het waarom van dat besluit. Als eerst de uitleg komt, ben je continu in onzekerheid over het besluit en sla je waarschijnlijk veel tekst over.

Lttrs. is strenger over de logische volgorde dan over de psychologische. Als een volgorde niet logisch is, is de tekst in z’n geheel onduidelijk. Een psychologische volgorde is wenselijk, maar niet per se nadelig voor de tekst.

Niveau 4: INHOUD

Een zakelijke of informatieve tekst draait natuurlijk helemaal om de inhoud. Waar het bij poëzie, liedteksten en romans vooral de vorm is die centraal staat, is dat bij een zakelijke tekst niet zo.

De inhoud staat voorop en de andere aspecten kunnen die versterken of verzwakken. Maar allereerst moet dus de inhoud kloppen en volledig zijn. Ook is het belangrijk dat

Lttrs. heeft niet overal verstand van en kan dus niet altijd aangeven of de inhoud feitelijk klopt. Maar Lttrs. kan wel signaleren of er tegenstrijdigheden in de tekst zitten en of de tekst vragen oproept. Als het gebeurt dat Lttrs. onjuistheden in de tekst tegenkomt, worden deze niet gewijzigd, maar wordt er een opmerking bij geplaatst.

RED 18: Juiste informatie en argumentatie

Klinkt logisch, maar toch zeker belangrijk om te noemen: zorg ervoor dat je feiten kloppen!

Een goed voorbeeld is fake news; een verzonnen verhaal om ergens de aandacht op te vestigen of juist weg te nemen. Vaak klinkt het aannemelijk, waardoor je het niet nodig vindt om na te gaan of het ook echt waar is.

Baseer je teksten niet op slecht onderzoek of geruchten en neem niet lukraak een tip over, zonder verder na te gaan of deze betrouwbaar is. Een rectificatie plaatsen kost je geld en je reputatie.

Schrijf je een column of betoog, dan moet je argumentatie kloppen en niet gebaseerd zijn op aannames en waarschijnlijkheden. Oftewel, geef geen drogredenen:

  • Generalisaties – personen of zaken over één kam scheren.
  • Cirkelredenering – het steeds herhalen van een standpunt zonder het toe te lichten of uit te leggen.
  • Verkeerde vergelijkingen – een vergelijkende situatie beschrijven om je argument kracht bij te zetten, terwijl het in feite niets met elkaar te maken heeft.
  • Autoriteitsargumenten – verwijzen naar een, in jouw ogen, deskundige of gezaghebbende.
  • Standpuntvervalsingen – het argument van de ander overdrijven en groter maken dan het is.
  • Drogredenen van het hellend vlak – zelf heel overdreven consequenties opgeven van je standpunt.
RED 19: Geen inhoudelijke tegenspraken

Het klinkt nogal logisch; de inhoud van een tekst moet zichzelf niet tegenspreken. Maar het komt toch nog regelmatig voor dat niet alle informatie overeenkomt.

Het gaat nog wel eens mis met percentages en bedragen, bijvoorbeeld in het volgende stuk:

Optie 1 wordt het vaakst genoemd; 27% van de ondervraagden gaf dat als antwoord. Op plek 2 komt Optie 4 (21%), gevolgd door Optie 2 op plek 3 (19%). 30% van de respondenten geeft aan geen van de opties interessant te vinden.

30% is meer dan 27%, dus Optie 1 is door de respondenten van deze enquête niet het vaakst genoemde antwoord.

In literatuur en romans komt het nog wel eens voor dat een hoofdrolspeler in eerste instantie anders gepresenteerd wordt dan hij of zij zich vervolgens in het verhaal gedraagt. Ook dat geeft de lezer een verkeerd beeld.

Een foutje zit, net als een ongeluk, in een klein hoekje. Een tweede paar ogen helpt je om ze uit je tekst te halen. Lttrs. is in zeker zin jouw tweede paar ogen. Dus wil je er zeker van zijn dat je tekst de juiste boodschap overbrengt? Lttrs. is je hulp!

RED 20: Voldoende informatie en argumentatie

Heeft je lezer alle informatie die nodig is om de boodschap te begrijpen of om de juiste actie te ondernemen?

Als je goed weet wie je lezer is, kun je dit wel inschatten. ‘Weet wat je lezer weet’, is een goede richtlijn. Probeer niet te veel uit te leggen. De kans bestaat dat je kernboodschap verdwijnt in alle informatie. Als je kort en bondig wil zijn, maar op sommige punten toch extra informatie wil geven, kun je werken met verwijzingen of, bij online teksten, met doorkliklinks.

Wijk dus niet te veel af van de hoofdlijn door allerlei associaties te noemen of te diep in te gaan op procesbeschrijvingen. Tegelijkertijd is het wel de bedoeling dat je lezer voldoende en juiste informatie heeft om de boodschap te begrijpen en eventueel de actie te ondernemen die je vraagt. Daarom nogmaals: weet wat je lezer weet! Als je je doelgroep voor ogen houdt en je je ermee identificeert, weet je wat je wel en niet hoeft te vermelden.

Lttrs. checkt op beide punten: roept de tekst vragen op, omdat er informatie mist? Leiden bijzaken af van de kernboodschap? Deze signalerende functie vind je terug in de feedback; de tekst wordt niet gewijzigd.

Niveau 5: TEKSTSOORT

Een brief ziet er anders uit en wordt anders geschreven dan een brochure. In een nieuwsbrief gebruik je andere taal dan in een beleidsstuk of algemene voorwaarden. Dit zijn allemaal verschillende tekstsoorten, met hun eigen regels, richtlijnen of conventies.

Welke tekstsoort je kiest heeft dus invloed op de indeling van je tekst, maar ook op je taalgebruik. Lttrs. heeft bij deze laatste 3 RED-punten vooral een signalerende functie, waarbij wordt aangegeven of de tekst past bij de gekozen tekstsoort en of de geldende richtlijnen voor die tekstsoort consequent toegepast zijn. Lttrs. kan suggesties doen, maar wijzigt niks. Het is aan jou als schrijver om de suggesties over te nemen of niet.

RED 21: Juiste toepassing van tekstsoortregels

Elke tekstsoort heeft bepaalde regels, maar dat zijn vaak ongeschreven regels (ook wel conventies genoemd). Als schrijver, maar vooral als lezer, weet je vaak wel of bepaald taalgebruik bij het soort tekst hoort of niet. Grote bedrijven hebben vaak eigen regels voor het schrijven van stukken, bijvoorbeeld over welke afkortingen wel en niet mogen gebruikt en of medewerkers altijd bij naam genoemd worden.

Er zijn veel boeken en websites over tekstsoorten en hun regels, daar kun je als schrijver dus ook op terugvallen. Lttrs. geeft aan of de tekst en de gebruikte taal aan de bijbehorende conventies voldoen. Dit is een signalerende functie, dus je tekst wordt niet gewijzigd. Dit punt vind je terug in de feedback.

RED 22: Geen tekstsoortwisselingen

In een nieuwsartikel hoort geen mening van de journalist te staan. Een nieuwsbericht moet dus niet halverwege de stijl van een column krijgen. Een brochure is hoofdzakelijk informatief en bevat geen reclame-uitingen.

Lttrs. gaat na of de gekozen tekstsoort consequent wordt toegepast. Dit is een signalerende functie, dus je tekst wordt niet gewijzigd. Dit punt vind je terug in de feedback.

RED 23: Geschikte tekstsoort

Je schrijft je tekst met een bepaal doel. Daarom is het belangrijk om, voor je begint, dat doel goed te omschrijven. Van daaruit bepaal je namelijk ook de tekstsoort: verpak je je boodschap in een brief, brochure, blog, webpagina, interview of…. Er zijn tal van mogelijkheden, maar niet alle tekstsoorten zijn even geschikt voor alle boodschappen. Denk daar dus goed over na en sluit ook niet automatisch aan bij ‘wat jullie als bedrijf altijd al doen.’

Lttrs. kijkt of de gekozen tekstsoort aansluit bij de boodschap en het doel dat je hebt met de boodschap. Dit is een signalerende functie, dus je tekst wordt niet gewijzigd. Dit punt vind je terug in de feedback.

Wat is Lttrs?

Lttrs. is onderdeel van tekstbureau Letters van Lieke en richt zich volledig op het redigeren en vertalen van teksten. Heb je vragen of opmerkingen? Neem hier contact op.

Contact opnemen